Voorlopige editie
NLARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
3 september 2026 (*)
„ Prejudiciële verwijzing – Bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens – Verordening (EU) 2016/679 – Artikel 5 – Beginselen inzake de verwerking van persoonsgegevens – Artikel 6 – Rechtmatigheid van de verwerking – Vennootschapsrecht – Richtlijn (EU) 2017/1132 – Artikel 14 – Door vennootschappen openbaar te maken akten en gegevens – Begrip ‚personen die deelnemen aan het bestuur van, het toezicht op of de controle op een vennootschap’ – Terbeschikkingstelling aan het publiek van persoonsgegevens betreffende aandeelhouders van naamloze vennootschappen – Minderheidsaandeelhouders ”
In zaak C‑798/24 [Jautiva] (i),
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Satversmes tiesa (grondwettelijk hof, Letland) bij beslissing van 14 november 2024, ingekomen bij het Hof op 19 november 2024, in de procedure
A e.a.,
in tegenwoordigheid van:
Latvijas Republikas Saeima,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: F. Biltgen, kamerpresident, T. von Danwitz (rapporteur), vicepresident van het Hof, A. Kumin, S. Gervasoni en M. Bošnjak, rechters,
advocaat-generaal: R. Norkus,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– A e.a., vertegenwoordigd door L. Liepa, advokāts,
– de Letse regering, vertegenwoordigd door J. Davidoviča en K. Pommere als gemachtigden,
– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,
– de Finse regering, vertegenwoordigd door A. Laine als gemachtigde,
– de Zweedse regering, vertegenwoordigd door C. Meyer-Seitz als gemachtigde,
– de Noorse regering, vertegenwoordigd door K. E. M. Skjelland en B. Stankovic als gemachtigden,
– het Europees Parlement, vertegenwoordigd door G. Corstens, M. Migliorati en L. Ruppeka-Rupeika als gemachtigden,
– de Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door L. Bergere, N. Coghlan en A.‑L. Meyer als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Bouchagiar, H. Kranenborg, I. Naglis en M. Noll-Ehlers als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 18 december 2025,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft, ten eerste, de uitlegging van artikel 14, onder d), ii), van richtlijn (EU) 2017/1132 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 aangaande bepaalde aspecten van het vennootschapsrecht (PB 2017, L 169, blz. 46), zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2019/1151 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 (PB 2019, L 186, blz. 80) (hierna: „richtlijn 2017/1132”), en de geldigheid van deze bepaling in het licht van de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) en, ten tweede, de uitlegging van artikel 5, lid 1, van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB 2016, L 119, blz. 1, met rectificatie in PB 2021, L 74, blz. 35; hierna: „AVG”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een grondwettelijk beroep dat is ingesteld door natuurlijke personen die betwisten dat een nationale regeling op grond waarvan persoonsgegevens van aandeelhouders van naamloze vennootschappen ter beschikking van het publiek moeten worden gesteld, in overeenstemming is met de Latvijas Republikas Satversme (grondwet van de Republiek Letland).
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Handvest
3 Artikel 7 van het Handvest, met het opschrift „De eerbiediging van het privé-leven en van het familie- en gezinsleven”, bepaalt:
„Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn communicatie.”
4 Artikel 8 van het Handvest, met als opschrift „De bescherming van persoonsgegevens”, bepaalt:
„1. Eenieder heeft recht op bescherming van zijn persoonsgegevens.
2. Deze gegevens moeten eerlijk worden verwerkt, voor bepaalde doeleinden en met toestemming van de betrokkene of op basis van een andere gerechtvaardigde grondslag waarin de wet voorziet. Eenieder heeft recht van inzake in de over hem verzamelde gegevens en op rectificatie daarvan.
3. Een onafhankelijke autoriteit ziet erop toe dat deze regels worden nageleefd.”
5 Artikel 52 van het Handvest, met als opschrift „Reikwijdte en uitlegging van de gewaarborgde rechten en beginselen”, bepaalt in lid 1:
„Beperkingen op de uitoefening van de in dit Handvest erkende rechten en vrijheden moeten bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen slechts beperkingen worden gesteld, indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.”
AVG
6 In de overwegingen 1 en 10 AVG staat het volgende te lezen:
„(1) De bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens is een grondrecht. Krachtens artikel 8, lid 1, van het [Handvest] en artikel 16, lid 1, [VWEU] heeft eenieder recht op bescherming van zijn persoonsgegevens.
[...]
(10) Teneinde natuurlijke personen een consistent en hoog beschermingsniveau te bieden en de belemmeringen voor het verkeer van persoonsgegevens binnen de Unie op te heffen, dient het niveau van bescherming van de rechten en vrijheden van natuurlijke personen op het vlak van verwerking van deze gegevens in alle lidstaten gelijkwaardig te zijn. Er moet gezorgd worden voor een in de gehele Unie coherente en homogene toepassing van de regels inzake bescherming van de grondrechten en de fundamentele vrijheden van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens. [...]”
7 Overeenkomstig artikel 1, lid 2, AVG beschermt deze verordening de grondrechten en de fundamentele vrijheden van natuurlijke personen en met name hun recht op bescherming van persoonsgegevens.
8 Krachtens artikel 2, lid 1, is de AVG van toepassing op de geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, alsmede op de verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden opgenomen.
9 Artikel 4 AVG, met als opschrift „Definities”, bepaalt:
„Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
1) ‚persoonsgegevens’: alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon [...]; als identificeerbaar wordt beschouwd een natuurlijke persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificator zoals een naam, een identificatienummer, locatiegegevens, een online identificator of van een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van die natuurlijke persoon;
2) ‚verwerking’: een bewerking of een geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens of een geheel van persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd via geautomatiseerde procedés, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, structureren, opslaan, bijwerken of wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op andere wijze ter beschikking stellen, aligneren of combineren, afschermen, wissen of vernietigen van gegevens;
[...]”
10 Artikel 5 AVG, met als opschrift „Beginselen inzake verwerking van persoonsgegevens”, bepaalt in lid 1:
„Persoonsgegevens moeten:
a) worden verwerkt op een wijze die ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk en transparant is (‚rechtmatigheid, behoorlijkheid en transparantie’);
b) voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden worden verzameld en mogen vervolgens niet verder op een met die doeleinden onverenigbare wijze worden verwerkt; de verdere verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden wordt overeenkomstig artikel 89, lid 1, niet als onverenigbaar met de oorspronkelijke doeleinden beschouwd (‚doelbinding’);
c) toereikend zijn, ter zake dienend en beperkt tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt (‚minimale gegevensverwerking’);
[...]”
11 Artikel 6 AVG heeft als opschrift „Rechtmatigheid van de verwerking” en bepaalt in de leden 1 en 3:
„1. De verwerking is alleen rechtmatig indien en voor zover aan ten minste een van de onderstaande voorwaarden is voldaan:
a) de betrokkene heeft toestemming gegeven voor de verwerking van zijn persoonsgegevens voor een of meer specifieke doeleinden;
[...]
c) de verwerking is noodzakelijk om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust;
[...]
3. De rechtsgrond voor de in lid 1, punten c) en e), bedoelde verwerking moet worden vastgesteld bij:
a) Unierecht; of
b) lidstatelijk recht dat op de verwerkingsverantwoordelijke van toepassing is.
Het doel van de verwerking wordt in die rechtsgrond vastgesteld of is met betrekking tot de in lid 1, punt e), bedoelde verwerking noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of voor de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend. Die rechtsgrond kan specifieke bepalingen bevatten om de toepassing van de regels van deze verordening aan te passen, met inbegrip van de algemene voorwaarden inzake de rechtmatigheid van verwerking door de verwerkingsverantwoordelijke; de types verwerkte gegevens; de betrokkenen; de entiteiten waaraan en de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens mogen worden verstrekt; de doelbinding; de opslagperioden, en de verwerkingsactiviteiten en -procedures, waaronder maatregelen om te zorgen voor een rechtmatige en behoorlijke verwerking, zoals die voor andere specifieke verwerkingssituaties als bedoeld in hoofdstuk IX. Het Unierecht of het lidstatelijke recht moet beantwoorden aan een doelstelling van algemeen belang en moet evenredig zijn met het nagestreefde gerechtvaardigde doel.”
Richtlijn 2017/1132
12 De overwegingen 7 en 8 van richtlijn 2017/1132 luiden als volgt:
„(7) De coördinatie van de nationale bepalingen betreffende de openbaarmaking, de rechtsgeldigheid van de verbintenissen en de nietigheid van de vennootschappen op aandelen en de vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid is van bijzonder belang, met name met het oog op de bescherming van de belangen van derden.
(8) De openbaarmaking moet derden in de gelegenheid stellen kennis te nemen van de voornaamste akten van een vennootschap en van bepaalde gegevens die haar betreffen, met name de identiteit van de personen die de bevoegdheid hebben haar te verbinden.”
13 Artikel 1 van die richtlijn, met het opschrift „Onderwerp”, bepaalt:
„Deze richtlijn voorziet in de volgende maatregelen:
– het coördineren van de waarborgen die ter bescherming van de belangen van leden en anderen door de lidstaten van vennootschappen in de zin van artikel 54, lid 2, van het Verdrag worden verlangd met betrekking tot de oprichting van naamloze vennootschappen en de instandhouding en wijziging van hun kapitaal, teneinde die waarborgen gelijkwaardig te maken;
– het coördineren van de waarborgen die ter bescherming van de belangen van leden en derden door de lidstaten van vennootschappen in de zin van artikel 54, lid 2, van het Verdrag worden verlangd met betrekking tot openbaarmaking, de geldigheid van aangegane verbintenissen en de nietigheid van vennootschappen op aandelen en vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, teneinde die waarborgen gelijkwaardig te maken;
[...]”
14 Artikel 4 van deze richtlijn, met als opschrift „Verplichte vermelding van gegevens in de statuten, in de oprichtingsakte of in een afzonderlijk document”, bepaalt:
„Ten minste de volgende gegevens moeten worden vermeld in de statuten, in de oprichtingsakte, of in een afzonderlijk document dat openbaar moet worden gemaakt op de in de wetgeving van elke lidstaat vastgestelde wijze overeenkomstig artikel 16:
[...]
i) de identiteit van de natuurlijke of rechtspersonen of vennootschappen door wie of namens wie de statuten of de oprichtingsakte of, wanneer de oprichting van de vennootschap niet als één handeling heeft plaatsgehad, de ontwerpstatuten of de ontwerpoprichtingsakte zijn dan wel is ondertekend;
[...]”
15 Artikel 13 van dezelfde richtlijn, met als opschrift „Toepassingsgebied”, bepaalt:
„De door deze afdeling en door afdeling 1 bis voorgeschreven coördinatiemaatregelen zijn van toepassing op de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten betreffende de in bijlage II vermelde vennootschapsvormen en, waar gespecificeerd, de in de bijlagen I en IIA genoemde vennootschapsvormen.”
16 Bijlage II bij richtlijn 2017/1132, waarin de in met name artikel 13 van deze richtlijn bedoelde vennootschapsvormen worden opgesomd, verwijst voor Letland naar „akciju sabiedrība, sabiedrība ar ierobežotu atbildību, komanditsabiedrība”, te weten naamloze vennootschappen, besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid en commanditaire vennootschappen.
17 Artikel 14 van deze richtlijn, met het opschrift „Door vennootschappen openbaar te maken akten en gegevens”, bepaalt:
„De lidstaten nemen de nodige maatregelen opdat de verplichte openbaarmaking door vennootschappen plaatsvindt voor ten minste de volgende akten en gegevens:
a) de oprichtingsakte alsmede de statuten indien die in een afzonderlijke akte zijn opgenomen;
[...]
d) de benoeming, het aftreden, alsmede de identiteit van de personen die, als orgaan waarin de wet voorziet of als leden van een dergelijk orgaan:
i) de bevoegdheid hebben de vennootschap ten opzichte van derden te verbinden en haar in rechte te vertegenwoordigen; uit de openbaarmaking moet blijken of de personen die de bevoegdheid hebben de vennootschap te verbinden, dit alleen of slechts gezamenlijk kunnen doen;
ii) deelnemen aan het bestuur van, het toezicht op of de controle op de vennootschap;
[...]”
18 Artikel 16, lid 3, van deze richtlijn bepaalt:
„De lidstaten zorgen ervoor dat de in artikel 14 bedoelde documenten en informatie openbaar worden gemaakt door deze voor het publiek beschikbaar te stellen in het [centraal handels- of vennootschapsregister]. [...]”
19 Artikel 64, lid 3, en artikel 95, lid 2, van dezelfde richtlijn hebben betrekking op de verplichtingen van het bestuurs- of leidinggevend orgaan van de vennootschap ten aanzien van de algemene vergadering, op respectievelijk het gebied van financiële steun van een vennootschap ter verkrijging van haar aandelen door een derde en het gebied van fusies door overneming.
Richtlijn 2015/849
20 De artikelen 11 en 13 van richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PB 2015, L 141, blz. 73), zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2024/1640 van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2024 (PB L, 2024/1640) (hierna: „richtlijn 2015/849”), vermelden de cliëntenonderzoeksmaatregelen die meldingsplichtige entiteiten moeten toepassen.
21 Artikel 30, lid 5, van richtlijn 2015/849 bepaalt het volgende:
„De lidstaten zorgen ervoor dat de informatie over de uiteindelijk begunstigde in alle gevallen toegankelijk is voor:
[...]
c) elke persoon of organisatie die een legitiem belang kan aantonen.
Aan de in de eerste alinea, punt c), bedoelde personen of organisaties wordt toegang verleend tot ten minste de naam, de geboortemaand en het geboortejaar, de woonstaat en de nationaliteit van de uiteindelijk begunstigde, alsmede tot de aard en omvang van het door de uiteindelijk begunstigde gehouden economische belang.”
Lets recht
Grondwet van de Republiek Letland
22 In artikel 96 van de grondwet van de Republiek Letland is met name het recht op eerbiediging van het privéleven neergelegd. Volgens de rechtspraak van de Satversmes tiesa (grondwettelijk hof, Letland) omvat de draagwijdte van dit artikel de bescherming van persoonsgegevens.
Wetboek van koophandel
23 Artikel 8 van de Komerclikums (wetboek van koophandel), met als opschrift „Inhoud van de inschrijvingen in het handelsregister”, bepaalt in lid 3, punten 3 en 4:
„(3) De gegevens die betreffende een kapitaalvennootschap in het handelsregister moeten worden ingeschreven, zijn:
[...]
3) de achternaam, voornaam, het persoonlijk identificatienummer (als de persoon geen persoonlijk identificatienummer heeft, zijn geboortedatum, het nummer en de datum van afgifte van het identiteitsdocument, het land en de autoriteit die dat document heeft afgegeven) en de functie van de leden van de raad van bestuur van de kapitaalvennootschap en de leden van de raad van toezicht (indien de kapitaalvennootschap over een dergelijke raad beschikt);
4) de bevoegdheid van de leden van de raad van bestuur om individueel of gezamenlijk de vennootschap te verbinden;
[...]”
24 Artikel 12 van dit wetboek, met als opschrift „Bekendmaking in het handelsregister”, bepaalt:
„(1) De inschrijvingen in het handelsregister hebben vanaf de bekendmaking ervan werking jegens derden. [...]
[...]”
25 Artikel 235 van dat wetboek, met als opschrift „In het aandeelhoudersregister op te nemen gegevens”, bepaalt:
„(1) Elke inschrijving in het aandeelhoudersregister vermeldt de naam van de vennootschap, het inschrijvingsnummer, het adres van de statutaire zetel en, in voorkomend geval, informatie over de vraag of er voor de vennootschap een liquidatie- of insolventieprocedure is ingeleid, alsook de titel van het document, ‚Inschrijving in het aandeelhoudersregister’, en bevat de volgende gegevens:
1) het referentienummer en de datum van de inschrijving;
2) het referentienummer van de registratie, waarbij gebruik wordt gemaakt van een doorlopende nummering, te beginnen met de eerste inschrijving in het aandeelhoudersregister;
3) de referentienummers van de aandelen;
4) gegevens met betrekking tot de aandeelhouders:
a) voor een natuurlijke persoon: zijn achternaam, voornaam, persoonlijk identificatienummer (als de persoon geen persoonlijk identificatienummer heeft, zijn geboortedatum, het nummer en de datum van afgifte van het identiteitsdocument, het land en de autoriteit die dat document heeft afgegeven) en contactadres;
b) voor rechtspersonen en personenvennootschappen: naam, inschrijvingsnummer en adres van de statutaire zetel;
5) het e-mailadres van de aandeelhouder, indien deze de vennootschap heeft verzocht dit adres te gebruiken om met hem te communiceren;
6) de categorie, het aantal en de nominale waarde van de aandelen van elke aandeelhouder, en het aantal stemrechten dat daaraan verbonden is;
7) de volstortingsstatus van de aandelen;
8) de gezamenlijke vertegenwoordiger van de aandeelhouders die is benoemd overeenkomstig de procedure van artikel 157 van dit wetboek, onder vermelding van de in lid 1, punten 4 en 5, van dit artikel bedoelde informatie;
9) informatie over aandelen die door de vennootschap zelf zijn verworven, met opgave van de redenen voor die verwerving.
[...]”
26 Artikel 268 van dit wetboek heeft als opschrift „Bevoegdheden van de algemene vergadering van aandeelhouders” en bepaalt:
„(1) Alleen de algemene vergadering van aandeelhouders heeft het recht besluiten te nemen over:
1) de jaarrekening van de vennootschap;
2) de bestemming van de winst van het vorige boekjaar;
3) de verkiezing en het ontslag van de leden van de raad van toezicht, de accountants en de vereffenaars;
4) het instellen van vorderingen in rechte tegen leden van de raad van bestuur, de raad van toezicht en de accountant, of het afzien van de instelling van dergelijke vorderingen, en de benoeming van een vertegenwoordiger van de vennootschap om vorderingen tegen de leden van de raad van toezicht geldend te maken;
[...]
6) de wijziging van de statuten van de vennootschap.
7) de verhoging of de verlaging van het maatschappelijk kapitaal;
8) de uitgifte en de omzetting van de effecten van de vennootschap, alsmede de centrale effectenbewaarinstelling waarin de gedematerialiseerde aandelen van de vennootschap zijn ingeschreven;
9) de vaststelling van de bezoldiging van de leden van de raad van toezicht en de accountant;
10) de ontbinding, voortzetting, opschorting of vernieuwing van de activiteiten van de vennootschap, dan wel de reorganisatie van de vennootschap;
11) de algemene beginselen, de soorten en de criteria voor de vaststelling van de bezoldiging van de leden van de raad van bestuur en de raad van toezicht;
12) de toekenning van aandelen in de vennootschap aan de werknemers en de leden van de raad van bestuur en de raad van toezicht.
(2) De algemene vergadering van aandeelhouders neemt alleen besluiten over andere aangelegenheden indien de wet daarin voorziet.”
Ondernemingsregisterwet
27 Artikel 4.10 van de likums „Par Latvijas Republikas Uzņēmumu reģistru” (ondernemingsregisterwet van de Republiek Letland; hierna: „ondernemingsregisterwet”) heeft als opschrift „Recht op toegang tot informatie in het ondernemingsregister” en bepaalt in de vijfde alinea:
„Het ondernemingsregister verstrekt kosteloos gegevens en akten die in het openbare deel van het inschrijvingsdossier zijn opgenomen (artikel 4.15, eerste alinea) door middel van onlinegegevensoverdracht (inclusief bulkdownloads).”
28 Artikel 4.11 van deze wet, met als opschrift “Informatie die op de website van het ondernemingsregister moet worden bekendgemaakt”, bepaalt in de eerste alinea, punt 2:
„Het ondernemingsregister zorgt ervoor dat een niet-geïdentificeerde gebruiker op zijn website toegang heeft tot de volgende meest recente (actuele) informatie over rechtspersonen en rechtsfeiten die zijn opgenomen in de door het ondernemingsregister bijgehouden registers:
[...]
2) andere in het register ingevoerde informatie.”
29 Artikel 4.15 van deze wet, met als opschrift “Openbare en niet-openbare delen van het inschrijvingsdossier”, bepaalt:
„Het openbare deel van het inschrijvingsdossier bevat:
[...]
2) andere in het register ingevoerde informatie:
[...]
b) informatie uit de inschrijving in het register van vennoten (aandeelhouders) van een kapitaalvennootschap betreffende de vennoten (aandeelhouders) van die vennootschap [...],
[...]
3) de volgende akten die deel uitmaken van het inschrijvingsdossier:
a) in het handelsregister – [...] de inschrijving in het register van vennoten (aandeelhouders), [...],
[...]
De akten en gegevens die deel uitmaken van het inschrijvingsdossier en waarnaar in de eerste alinea van dit artikel niet wordt verwezen, worden opgenomen in het niet-openbare deel van het inschrijvingsdossier.
Wanneer een inschrijving in het register of geregistreerde informatie is aangemerkt als vertrouwelijke informatie of de beschikbaarheid ervan voor het publiek bij wet is beperkt, wordt deze opgenomen in het niet-openbare deel van het inschrijvingsdossier.
De gegevens en akten in het niet-openbare deel van het inschrijvingsdossier (tweede en derde alinea van dit artikel) zijn vertrouwelijk en kunnen door rechtshandhavingsinstanties worden verkregen voor de uitvoering van de in wet- en regelgeving gespecificeerde taken en, zonder beperkingen, door de [Finanšu izlūkošanas dienests (financiële-inlichtingendienst, Letland)] en de toezichthoudende en controlerende autoriteiten op het gebied van de voorkoming van het witwassen van geld en financiering van terrorisme en van proliferatie, terwijl andere autoriteiten een met redenen omkleed verzoek moeten indienen. Particulieren moeten toegang tot de gegevens en akten in het niet-openbare deel van het inschrijvingsdossier aanvragen overeenkomstig de procedure voor het opvragen van vertrouwelijke informatie die is neergelegd in de [Informācijas atklātības likums (wet inzake de vrijheid van informatie)].”
Wet ter voorkoming van witwassen van geld
30 Artikel 5.1 van de Noziedzīgi iegūtu līdzekļu legalizācijas un terorisma un proliferācijas finansēšanas novēršanas likums (wet ter voorkoming van witwassen van geld en financiering van terrorisme en van proliferatie), met als opschrift „Toegankelijkheid van uit de informatiesystemen van de Republiek Letland afkomstige informatie die nodig is om aan de vereisten van de wet te voldoen”, bepaalt in lid 1:
„Om te voldoen aan de verplichtingen die krachtens deze wet op hen rusten, hebben de meldingsplichtige entiteiten en de toezichthoudende en controlerende autoriteiten het recht online uittreksels en informatie over leden en uiteindelijk begunstigden op te vragen en te verkrijgen uit de registers die worden bijgehouden door het ondernemingsregister van de Republiek Letland, deze informatie te bewaren en voorts te verwerken om de gegevens over de cliënt en zijn zakenpartners te beoordelen en te bepalen of het noodzakelijk is om een verdachte transactie aan de financiële-inlichtingendienst te melden of af te zien van de uitvoering van een dergelijke transactie, en om te bepalen of de cliënt onderworpen is aan een insolventieprocedure voor rechtspersonen of onder gerechtelijk toezicht is geplaatst.”
Wet inzake internationale en nationale sancties
31 Artikel 5 van de Starptautisko un Latvijas Republikas nacionālo sankciju likums (wet inzake internationale en nationale sancties van de Republiek Letland), met als opschrift „Financiële beperkingen”, bepaalt:
„Wanneer nationale sancties financiële beperkingen opleggen aan de gesanctioneerde persoon, zijn alle personen binnen het kader van hun bevoegdheid, verplicht om onmiddellijk en zonder voorafgaande kennisgeving:
1) alle tegoeden en economische middelen te bevriezen die direct of indirect geheel of gedeeltelijk toebehoren aan, eigendom zijn van, in het bezit zijn of onder zeggenschap staan van de gesanctioneerde persoon, met inbegrip van derden die namens hem of volgens zijn instructies handelen;
2) de tegoeden en economische middelen niet direct of indirect ter beschikking te stellen aan de gesanctioneerde persoon, met inbegrip van derden die namens hem, op zijn instructies of ten behoeve van hem handelen;
3) de in de nationale sancties bedoelde financiële diensten niet te verlenen aan de gesanctioneerde persoon, met inbegrip van derden die namens hem, op zijn instructies of ten behoeve van hem handelen.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
32 Zeventien natuurlijke personen hebben bij de Satversmes tiesa, de verwijzende rechter, beroep ingesteld om te betwisten dat een nationale regeling, te weten artikel 4.15, eerste alinea, punt 2, onder b), van de ondernemingsregisterwet, gelezen in samenhang met artikel 4.10, vijfde alinea, van deze wet en artikel 235, lid 1, van het wetboek van koophandel, verenigbaar is met artikel 96 van de grondwet van de Republiek Letland, dat het recht op eerbiediging van het privéleven en de bescherming van persoonsgegevens waarborgt.
33 Krachtens deze nationale regeling wordt bepaalde informatie betreffende de aandeelhouders van naamloze vennootschappen ter beschikking gesteld van het publiek. Indien een dergelijke aandeelhouder een natuurlijke persoon is, omvat deze informatie de achternaam, de voornaam, het persoonlijke identificatienummer of, bij gebreke daarvan, de geboortedatum, het nummer en de datum van afgifte van een identiteitsdocument, het land en de autoriteit van afgifte, en het contactadres. Bovendien, en ongeacht of de aandeelhouder een natuurlijke persoon is, omvat deze informatie tevens het e-mailadres van de aandeelhouder, wanneer deze de vennootschap waarvan hij aandelen bezit heeft verzocht dit adres te gebruiken om met hem te communiceren, de categorie, het aantal en de nominale waarde van zijn aandelen, alsmede het aantal stemmen dat daaraan is verbonden. Dezelfde informatie is online toegankelijk en kan in bulk worden gedownload, met name door elke niet-geïdentificeerde gebruiker, zoals bepaald in artikel 4.11, eerste alinea, punt 2, van de ondernemingsregisterwet.
34 Verzoekers in het hoofdgeding zijn minderheidsaandeelhouders van een naamloze vennootschap. Zij betogen dat de Letse wetgever heeft nagelaten de noodzaak te onderzoeken en te rechtvaardigen om de betrokken informatie aan het publiek openbaar te maken, en merken op dat na de bekendmaking ervan geen enkele beperking van het verdere gebruik ervan mogelijk is en dat er een groot risico bestaat dat deze informatie voor oneerlijke doeleinden wordt gebruikt. Gelet op het arrest van 22 november 2022, Luxembourg Business Registers (C‑37/20 en C‑601/20, EU:C:2022:912; hierna: „arrest Luxembourg Business Registers”), is de openbaarmaking van die informatie hoe dan ook ongerechtvaardigd en onevenredig, aangezien verzoekers in het hoofdgeding noch de uiteindelijk begunstigden van de betrokken vennootschap, noch leden van de leidinggevende organen ervan zijn, en zij noch het recht noch de mogelijkheid hebben om zeggenschap over die vennootschap uit te oefenen.
35 In dit verband vraagt de verwijzende rechter zich ten eerste af of de openbaarmaking van de bij hem aan de orde zijnde persoonsgegevens vereist is op grond van richtlijn 2017/1132, en in het bijzonder artikel 14, onder d), ii), ervan, dat betrekking heeft op akten of gegevens betreffende de personen die deelnemen aan het bestuur van, het toezicht op of de controle op de vennootschap. Indien dat het geval is, moet de geldigheid van een dergelijk openbaarmakingsvereiste volgens deze rechter worden getoetst aan de artikelen 7 en 8 van het Handvest.
36 Ten tweede vraagt deze rechter zich af of een lidstaat, zonder inbreuk te maken op de bepalingen van de AVG, met name artikel 5, lid 1, ervan, en de bepalingen van het Handvest, in zijn nationale recht een dergelijk openbaarmakingsvereiste kan opnemen met het oog op de verwezenlijking van doelstellingen als die welke door de Latvijas Republikas Saeima (Lets parlement) zijn aangevoerd, namelijk ten eerste een transparant ondernemingsklimaat waarborgen en de belangen van derden beschermen, ten tweede het witwassen van geld en financiering van terrorisme en van proliferatie van massavernietigingswapens voorkomen, en ten derde de informatie verstrekken die noodzakelijk is voor de uitvoering van nationale, internationale en Uniesancties. In dit verband merkt de verwijzende rechter op dat de toegang tot de betrokken gegevens niet afhankelijk is van enige voorwaarde, zoals met name het aantonen van een gerechtvaardigd belang.
37 Daarop heeft de Satversmes tiesa de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1) Moet het begrip ‚personen die [...] deelnemen aan het bestuur van, het toezicht op of de controle op de vennootschap’ in artikel 14, onder d), van [richtlijn 2017/1132] aldus worden uitgelegd dat daaronder elke aandeelhouder van een naamloze vennootschap wordt verstaan, zodat een lidstaat verplicht is om de informatie over elke aandeelhouder van een naamloze vennootschap openbaar te maken en voor het publiek beschikbaar te stellen in het register overeenkomstig artikel 16, lid 3, van richtlijn 2017/1132?
2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, is artikel 14, onder d), ii), van richtlijn 2017/1132 geldig in het licht van het door artikel 7 van het Handvest gewaarborgde recht op eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven en het door artikel 8 van het Handvest gewaarborgde recht op bescherming van persoonsgegevens, voor zover het voorziet in de openbaarmaking van gegevens van elke aandeelhouder van een naamloze vennootschap?
3) Moet artikel 5, lid 1, onder b), [AVG] aldus worden uitgelegd dat de verwerking van persoonsgegevens van de aandeelhouders van een naamloze vennootschap tot doel kan hebben om, ten eerste, een transparant ondernemingsklimaat te waarborgen en de belangen van derden te beschermen, ten tweede, het witwassen van geld en financiering van terrorisme en van proliferatie te voorkomen en, ten derde, de informatie te verstrekken die noodzakelijk is voor de uitvoering van nationale, internationale en Uniesancties?
4) Staan de in artikel 5, lid 1, [AVG] neergelegde beginselen toe dat voor de bovengenoemde doeleinden een nationale regeling wordt vastgesteld op grond waarvan eenieder de persoonsgegevens van elke aandeelhouder van een naamloze vennootschap kan verkrijgen, zonder dat hij een gerechtvaardigd belang bij het verkrijgen van dergelijke gegevens hoeft aan te tonen?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
38 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 14, onder d), van richtlijn 2017/1132 aldus moet worden uitgelegd dat het vereist dat informatie openbaar wordt gemaakt over alle aandeelhouders van de in deze bepaling bedoelde vennootschappen, met inbegrip van de minderheidsaandeelhouders van dergelijke vennootschappen.
39 Krachtens deze bepaling, die van toepassing is op de in artikel 13 van richtlijn 2017/1132 bedoelde vennootschapsvormen, namelijk die welke met name in bijlage II bij die richtlijn zijn opgesomd, moeten de lidstaten de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de verplichte openbaarmaking door deze vennootschappen plaatsvindt voor ten minste de akten en gegevens betreffende de benoeming, het aftreden, alsmede de identiteit van de personen die, als orgaan waarin de wet voorziet of als leden van een dergelijk orgaan, de bevoegdheid hebben de vennootschap ten opzichte van derden te verbinden en haar in rechte te vertegenwoordigen, of deelnemen aan het bestuur van, het toezicht op of de controle op de vennootschap.
40 In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak aan de bewoordingen van een Unierechtelijke bepaling die voor de vaststelling van haar betekenis en de draagwijdte ervan niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, in de regel in de gehele Unie een autonome en uniforme uitlegging moet worden gegeven waarbij niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen van die bepaling, maar ook met haar context en met de beoogde doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (zie in die zin arresten van 18 januari 1984, Ekro, 327/82, EU:C:1984:11, punt 11, en 18 december 2025, Slagelse Almennyttige Boligselskab, Afdeling Schackenborgvænge, C‑417/23, EU:C:2025:1017, punt 76).
41 Wat de bewoordingen van artikel 14, onder d), van richtlijn 2017/1132 betreft, moet worden opgemerkt dat deze bepaling noch de aandeelhouders, noch de algemene vergadering van aandeelhouders uitdrukkelijk vermeldt. Bovendien verwijst deze bepaling naar de „benoeming”, het „aftreden” en de „identiteit” van de personen die, als orgaan waarin de wet voorziet of als leden van een dergelijk orgaan, de bevoegdheid hebben de vennootschap ten opzichte van derden te verbinden en haar in rechte te vertegenwoordigen en/of die deelnemen aan het bestuur van, het toezicht op of de controle op de vennootschap. Zoals de Letse en de Poolse regering, het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie in hun schriftelijke opmerkingen hebben opgemerkt, worden de aandeelhouders van een vennootschap niet benoemd of uit hun functie ontslagen. Hun hoedanigheid vloeit immers uitsluitend voort uit hun deelneming in het maatschappelijk kapitaal van een vennootschap, en dus uit hun eigendomsrecht op door die vennootschap uitgegeven aandelen, en onderscheidt zich in dit verband van die van de personen die zijn aangewezen om zitting te nemen in de bestuurs- en leidinggevende organen van die vennootschap en deze te vertegenwoordigen in haar betrekkingen met derden.
42 Wat de context betreft waarin deze bepaling is opgenomen, moet worden vastgesteld dat verschillende bepalingen van richtlijn 2017/1132, zoals artikel 64, lid 3, en artikel 95, lid 2, van die richtlijn, het door de Uniewetgever gemaakte terminologische onderscheid weerspiegelen tussen de bestuurs- en leidinggevende organen enerzijds, en de algemene vergadering van aandeelhouders anderzijds. Hoewel de algemene vergadering bepaalde beslissingsbevoegdheden bezit, zijn deze niet van dezelfde aard als de bevoegdheden die worden uitgeoefend door de bestuurs- en leidinggevende organen van de vennootschap, zodat noch de handelingen van de algemene vergadering, noch – via haar – die van haar leden, kunnen worden aangemerkt als „deelneming” in de zin van artikel 14, onder d), ii), van genoemde richtlijn.
43 Bovendien vereist artikel 14, onder a), van richtlijn 2017/1132, dat moet worden gelezen in samenhang met artikel 4, onder i), ervan, weliswaar dat de oprichtingsakte alsmede de statuten van een naamloze vennootschap openbaar worden gemaakt, waarbij in deze documenten de identiteit van de ondertekenaars ervan moet worden vermeld, waaronder de eerste aandeelhouders van deze vennootschap kunnen vallen, maar geen enkele bepaling van deze richtlijn vereist uitdrukkelijk een openbaarmaking in geval van een latere wijziging van de samenstelling van het aandelenbezit in een dergelijke vennootschap.
44 Wat de doelstellingen van richtlijn 2017/1132 betreft, volgt uit de overwegingen 7 en 8 en uit artikel 1 van deze richtlijn dat de openbaarmaking waarin deze richtlijn voorziet er met name toe strekt de belangen van derden ten aanzien van vennootschappen op aandelen en vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid te beschermen, omdat deze vennootschappen aan derden geen andere waarborg bieden dan hun vermogen. Deze openbaarmaking moet derden dan ook in de gelegenheid stellen kennis te nemen van de voornaamste akten van de betrokken vennootschap en van bepaalde gegevens die haar betreffen, met name de identiteit van de personen die de bevoegdheid hebben haar te verbinden (zie in die zin arrest van 4 oktober 2024, Agentsia po vpisvaniyata, C‑200/23, EU:C:2024:827, punt 77).
45 Daarnaast is het de bedoeling van deze richtlijn om met het oog op de verdieping van de handelsstromen tussen de lidstaten als gevolg van de schepping van de interne markt de rechtszekerheid in de betrekkingen tussen vennootschappen en derden te verzekeren. Zo gezien is het van belang dat eenieder die zakenrelaties met in andere lidstaten gevestigde vennootschappen wenst aan te gaan en te behouden, zonder moeite kennis kan nemen van essentiële gegevens betreffende de oprichting van handelsvennootschappen en de bevoegdheid van de personen die belast zijn met de vertegenwoordiging van deze vennootschappen, hetgeen vereist dat alle ter zake dienende gegevens expliciet in het in artikel 16, lid 3, van die richtlijn bedoelde register worden vermeld (zie in die zin arrest van 4 oktober 2024, Agentsia po vpisvaniyata, C‑200/23, EU:C:2024:827, punt 78 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46 In casu lijkt de openbaarmaking van gegevens over alle aandeelhouders van naamloze vennootschappen en in het bijzonder van de minderheidsaandeelhouders van deze vennootschappen echter geen nut te hebben in het licht van de doelstelling van bescherming van de belangen van derden en de rechtszekerheid, en kan zij dus niet worden gerechtvaardigd door die doelstelling. Aangezien minderheidsaandeelhouders, in tegenstelling tot de leden van de bestuurs- en leidinggevende organen van een naamloze vennootschap, in beginsel niet bevoegd zijn om een dergelijke vennootschap te vertegenwoordigen, noch om deze ten opzichte van derden te verbinden, noch om bestuurs- en toezichthoudende taken uit te oefenen, lijken de gegevens betreffende al deze aandeelhouders voor deze derden namelijk niet relevant te zijn.
47 Bijgevolg moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 14, onder d), van richtlijn 2017/1132 aldus moet worden uitgelegd dat het niet vereist dat informatie openbaar wordt gemaakt over alle aandeelhouders van de in deze bepaling bedoelde vennootschappen, met inbegrip van de minderheidsaandeelhouders van dergelijke vennootschappen.
Tweede vraag
48 Gelet op het antwoord op de eerste vraag hoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.
Derde en vierde vraag
49 Met deze vragen, die samen moeten worden behandeld, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 5 en 6 AVG, gelezen in het licht van de artikelen 7 en 8 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan persoonsgegevens van alle aandeelhouders – met inbegrip van minderheidsaandeelhouders – van naamloze vennootschappen, die betrekking hebben op de identiteit van elk van deze aandeelhouders, zijn contactgegevens, de categorie, het aantal en de nominale waarde van de aandelen die hij bezit, alsmede het aantal aan die aandelen verbonden stemmen, voor het publiek beschikbaar moeten worden gesteld teneinde een transparant ondernemingsklimaat te waarborgen om de belangen van derden te beschermen, het witwassen van geld en financiering van terrorisme en van proliferatie van massavernietigingswapens te voorkomen en de informatie te verstrekken die noodzakelijk is voor de uitvoering van nationale, internationale en Uniesancties, indien de toegang tot die gegevens niet afhankelijk is van enige voorwaarde, zoals het aantonen van een gerechtvaardigd belang.
50 Vooraf zij eraan herinnerd dat overeenkomstig het doel van de AVG – zoals dit blijkt uit artikel 1 alsook uit de overwegingen 1 en 10 ervan – dat er in het bijzonder in bestaat een hoog niveau van bescherming van de fundamentele vrijheden en de grondrechten van natuurlijke personen te waarborgen, in het bijzonder van hun in artikel 8, lid 1, van het Handvest en artikel 16, lid 1, VWEU erkende recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met de verwerking van persoonsgegevens, elke verwerking van persoonsgegevens met name in overeenstemming moet zijn met de in artikel 5 AVG geformuleerde beginselen inzake de verwerking van dergelijke gegevens en moet voldoen aan de in artikel 6 AVG opgesomde rechtmatigheidsvoorwaarden [zie in die zin arresten van 9 januari 2025, Mousse, C‑394/23, EU:C:2025:2, punten 21 en 22, en 3 april 2025, Ministerstvo zdravotnictví (Gegevens betreffende de vertegenwoordiger van een rechtspersoon), C‑710/23, EU:C:2025:231, punten 29 en 33].
51 Dienaangaande moet worden opgemerkt dat artikel 5, lid 1, onder a), AVG bepaalt dat persoonsgegevens moeten worden verwerkt op een wijze die ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk en transparant is.
52 Bovendien moeten dergelijke gegevens volgens artikel 5, lid 1, onder b), AVG, waarin het beginsel van doelbinding van de verwerking van persoonsgegevens is neergelegd, ten eerste voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden worden verzameld. Ten tweede mogen zij vervolgens niet verder op een met die doeleinden onverenigbare wijze worden verwerkt. Volgens de rechtspraak van het Hof impliceert dit beginsel met name, om te beginnen, dat de doeleinden van de verwerking uiterlijk bij het verzamelen van de persoonsgegevens vaststaan, vervolgens dat de doeleinden van deze verwerking duidelijk zijn geformuleerd en ten slotte dat de doeleinden van die verwerking met name waarborgen dat deze gegevens rechtmatig worden verwerkt in de zin van artikel 6, lid 1, AVG (zie in die zin arrest van 20 oktober 2022, Digi, C‑77/21, EU:C:2022:805, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
53 Ten slotte moeten deze gegevens volgens artikel 5, lid 1, onder c), AVG, dat het beginsel van minimale gegevensverwerking formuleert, toereikend en ter zake dienend zijn en beperkt blijven tot hetgeen noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt. Dit beginsel is een uitdrukking van het evenredigheidsbeginsel (zie in die zin arrest van 9 januari 2025, Mousse, C‑394/23, EU:C:2025:2, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
54 Wat de rechtmatigheidsvoorwaarden van de verwerking betreft, bevat artikel 6, lid 1, eerste alinea, AVG een uitputtende en limitatieve lijst van de gevallen waarin de verwerking van persoonsgegevens als rechtmatig kan worden aangemerkt. Om als rechtmatig te kunnen worden aangemerkt, moet een verwerking dus vallen onder een van de in deze bepaling bedoelde gevallen (zie in die zin arrest van 9 januari 2025, Mousse, C‑394/23, EU:C:2025:2, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
55 Volgens artikel 6, lid 1, eerste alinea, onder a), AVG is de verwerking van persoonsgegevens rechtmatig indien en voor zover de betrokkene daarvoor toestemming heeft gegeven voor een of meer specifieke doeleinden. Bij gebreke van een dergelijke toestemming of wanneer die toestemming niet vrij, specifiek, geïnformeerd en ondubbelzinnig is gegeven in de zin van artikel 4, punt 11, AVG, kan de verwerking niettemin gerechtvaardigd zijn wanneer is voldaan aan een van de in artikel 6, lid 1, eerste alinea, onder b) tot en met f), AVG genoemde voorwaarden waarbij er sprake is van noodzakelijkheid. In deze context moeten de in deze laatste bepaling bedoelde rechtvaardigingsgronden restrictief worden uitgelegd, aangezien de verwerking van persoonsgegevens daardoor rechtmatig kan zijn zonder dat de betrokkene toestemming heeft gegeven (arrest van 9 januari 2025, Mousse, C‑394/23, EU:C:2025:2, punten 26 en 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
56 Bovendien blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat wanneer kan worden vastgesteld dat een verwerking van persoonsgegevens noodzakelijk is in het licht van een van de rechtvaardigingsgronden van artikel 6, lid 1, eerste alinea, onder b) tot en met f), AVG, niet hoeft te worden nagegaan of die verwerking ook onder een andere van die rechtvaardigingsgronden valt (arrest van 9 januari 2025, Mousse, C‑394/23, EU:C:2025:2, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
57 In casu staat vast dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde informatie betrekking heeft op geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke personen en dus moet worden aangemerkt als persoonsgegevens in de zin van artikel 4, punt 1, AVG. Tevens staat vast dat deze informatie wordt verwerkt in de zin van artikel 4, punt 2, AVG, aangezien zij ter beschikking wordt gesteld van het publiek, en dat deze geautomatiseerde verwerking op grond van artikel 2, lid 1, AVG binnen het materieel toepassingsgebied van deze verordening valt.
58 Zoals de advocaat-generaal in punt 43 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, is de in het hoofdgeding aan de orde zijnde gegevensverwerking bovendien vereist door de nationale regeling en moet zij dus worden onderzocht in het licht van artikel 6, lid 1, eerste alinea, onder c), AVG, volgens hetwelk een verwerking rechtmatig is indien en voor zover zij „noodzakelijk [is] om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust”.
59 In artikel 6, lid 3, van de AVG wordt met name bepaald dat de verwerking in dat geval haar grondslag moet vinden in het Unierecht of het lidstatelijke recht dat op de verwerkingsverantwoordelijke van toepassing is, en dat het doel van de verwerking in die rechtsgrond moet zijn vastgelegd. Deze rechtsgrond moet beantwoorden aan een doelstelling van algemeen belang en evenredig zijn met het nagestreefde gerechtvaardigde doel. Aangezien deze vereisten een uitdrukking vormen van de uit artikel 52, lid 1, van het Handvest voortvloeiende vereisten, moeten zij in het licht van laatstgenoemde bepaling worden uitgelegd (zie in die zin arresten van 1 augustus 2022, Vyriausioji tarnybinės etikos komisija, C‑184/20, EU:C:2022:601, punt 69, en 4 oktober 2024, Agentsia po vpisvaniyata, C‑200/23, EU:C:2024:827, punt 104).
60 In dit verband moet worden opgemerkt dat de door de artikelen 7 en 8 van het Handvest gewaarborgde grondrechten op eerbiediging van het privéleven en op bescherming van persoonsgegevens geen absolute gelding hebben, maar moeten worden beschouwd in relatie tot hun functie in de samenleving en moeten worden afgewogen tegen andere grondrechten. Beperkingen zijn dan ook mogelijk, mits deze – overeenkomstig artikel 52, lid 1, van het Handvest – bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van de grondrechten alsook het evenredigheidsbeginsel eerbiedigen [arresten van 22 juni 2021, Latvijas Republikas Saeima (Strafpunten), C‑439/19, EU:C:2021:504, punt 105; 1 augustus 2022, Vyriausioji tarnybinės etikos komisija, C‑184/20, EU:C:2022:601, punt 70, en 4 oktober 2024, Bezirkshauptmannschaft Landeck (Poging tot het verkrijgen van toegang tot op een mobiele telefoon opgeslagen persoonsgegevens), C‑548/21, EU:C:2024:830, punt 85 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
61 In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de evenredigheid van maatregelen waaruit een inmenging in de door de artikelen 7 en 8 van het Handvest gewaarborgde rechten voortvloeit niet alleen vereist dat aan de vereisten van geschiktheid en noodzakelijkheid wordt voldaan, maar ook dat die maatregelen evenredig zijn aan het nagestreefde doel (arrest Luxembourg Business Registers, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
62 Meer in het bijzonder blijven de uitzonderingen op de bescherming van de persoonsgegevens en de beperkingen ervan binnen de grenzen van het strikt noodzakelijke, met dien verstande dat wanneer een keuze mogelijk is tussen meerdere geschikte maatregelen voor de verwezenlijking van de rechtmatig nagestreefde doelstellingen, de maatregel moet worden gekozen die het minst belastend is. Bovendien kan een doelstelling van algemeen belang niet worden nagestreefd zonder rekening te houden met het feit dat deze doelstelling moet worden verzoend met de door de gekozen maatregel aangetaste grondrechten, en zulks via een evenwichtige afweging tussen de doelstelling en de op het spel staande rechten, om ervoor te zorgen dat de door die maatregel berokkende nadelen niet onevenredig zijn aan het nagestreefde doel. Zo moet bij de beoordeling of een beperking op de door de artikelen 7 en 8 van het Handvest gewaarborgde grondrechten kan worden gerechtvaardigd, worden bepaald wat de ernst is van de inmenging die deze beperking meebrengt en worden nagegaan of het belang van de met die beperking nagestreefde doelstelling van algemeen belang in verhouding staat tot die ernst (arrest Luxembourg Business Registers, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
63 Bovendien voldoet de betrokken regeling die de inmenging bevat slechts aan het evenredigheidsvereiste indien zij ook duidelijke en nauwkeurige regels over de reikwijdte en de toepassing van de daarin bepaalde maatregelen bevat die minimale eisen opleggen, zodat de betrokkenen over voldoende garanties beschikken dat hun persoonsgegevens doeltreffend worden beschermd tegen het risico van misbruik. Zij moet in het bijzonder aangeven in welke omstandigheden en onder welke voorwaarden een maatregel die voorziet in de verwerking van dergelijke gegevens kan worden genomen, en aldus waarborgen dat de inmenging tot het strikt noodzakelijke wordt beperkt (zie in die zin arrest Luxembourg Business Registers, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
64 In casu staat het aan de verwijzende rechter om in de eerste plaats na te gaan of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling voldoet aan het in artikel 5, lid 1, onder b), AVG neergelegde beginsel van doelbinding in het licht van de in punt 52 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak, en of de doelen van de verwerking zijn omschreven in de relevante rechtsgrond in de zin van artikel 6, lid 3, AVG. Zoals de advocaat-generaal in punt 45 van zijn conclusie heeft opgemerkt, is het in dit verband van belang dat het betrokken doel of de betrokken doelen met voldoende zekerheid kan respectievelijk kunnen worden vastgesteld aan de hand van de tekst van de betrokken regeling of de wettelijke context ervan.
65 In de tweede plaats moet worden nagegaan of deze rechtsgrondslag voldoet aan de andere vereisten die voortvloeien uit artikel 6, lid 3, AVG en artikel 52, lid 1, van het Handvest, in het licht van de in de punten 59 tot en met 63 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte vaste rechtspraak en rekening houdend met de ernst van de uit die rechtsgrondslag voortvloeiende inmenging in de door de artikelen 7 en 8 van het Handvest gewaarborgde rechten.
66 Hoewel het uiteindelijk aan de verwijzende rechter staat om na te gaan of aan deze andere vereisten is voldaan, staat het aan het Hof om in zijn uitspraak op een verzoek om een prejudiciële beslissing deze rechter alle uitleggingsgegevens betreffende het Unierecht te verschaffen die nuttig kunnen zijn voor de beslechting van de bij hem aanhangige zaak en, in voorkomend geval, preciseringen te geven om die rechter bij zijn onderzoek te leiden (zie in die zin arresten van 27 juni 2017, Congregación de Escuelas Pías Provincia Betania, C‑74/16, EU:C:2017:496, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 9 januari 2025, Mousse, C‑394/23, EU:C:2025:2, punt 51).
67 In dit verband blijkt uit vaste rechtspraak van het Hof dat de mededeling van persoonsgegevens aan derden, het beschikbaar stellen van dergelijke gegevens daaronder begrepen, een inmenging vormt in de in de artikelen 7 en 8 van het Handvest verankerde grondrechten, ongeacht het latere gebruik van de meegedeelde gegevens. In dit verband is het van weinig belang of de gegevens betreffende het privéleven al dan niet gevoelig zijn en of de betrokkenen door die inmenging enig nadeel hebben ondervonden (zie in die zin arrest van 21 juni 2022, Ligue des droits humains, C‑817/19, EU:C:2022:491, punt 96, en arrest Luxembourg Business Registers, punt 39).
68 In casu bevat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling weliswaar een nauwkeurige opsomming van de persoonsgegevens die ter beschikking van het publiek moeten worden gesteld, zodat de daaruit voortvloeiende inmenging bij wet is voorzien, maar wel moet nog ten eerste de ernst van deze inmenging worden beoordeeld en ten tweede worden onderzocht of het belang van de doelstellingen van algemeen belang die zouden worden nagestreefd in verhouding staat tot die ernst (zie in die zin arrest van 1 augustus 2022, Vyriausioji tarnybinės etikos komisija, C‑184/20, EU:C:2022:601, punt 98).
69 Wat ten eerste de ernst van een dergelijke inmenging betreft, moet onder meer rekening worden gehouden met de aard van de persoonsgegevens in kwestie, in het bijzonder de eventueel gevoelige aard van die gegevens, alsmede met de aard en de concrete wijze van verwerking van die gegevens, in het bijzonder het aantal personen dat toegang heeft tot die gegevens en de wijze waarop zij die toegang verkrijgen (arrest van 1 augustus 2022, Vyriausioji tarnybinės etikos komisija, C‑184/20, EU:C:2022:601, punt 99 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
70 In casu moet worden opgemerkt dat, aangezien de aan het publiek ter beschikking gestelde gegevens met name betrekking hebben op de identiteit van elke aandeelhouder, zijn contactgegevens, de categorie, het aantal en de nominale waarde van de aandelen die hij bezit, alsmede het aantal aan die aandelen verbonden stemmen, op basis van dergelijke gegevens een profiel kan worden opgemaakt met onder meer de financiële situatie van de betrokkene en de economische sectoren en specifieke ondernemingen waarin hij heeft geïnvesteerd (zie in die zin arrest Luxembourg Business Registers, punt 41).
71 Daarnaast gaat een dergelijke terbeschikkingstelling gepaard met het feit dat deze gegevens dan toegankelijk zijn voor een potentieel onbeperkt aantal personen, zodat de verwerking ervan ertoe kan leiden dat ook personen die, om redenen die geen verband houden met het doel van deze terbeschikkingstelling, informatie zoeken over met name de materiële en financiële situatie van een dergelijke aandeelhouder, vrij toegang krijgen tot genoemde gegevens. Dit is des te gemakkelijker wanneer die gegevens op internet kunnen worden geraadpleegd (zie in die zin arrest Luxembourg Business Registers, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
72 Bovendien worden de mogelijke gevolgen voor de betrokkenen van een eventueel misbruik van hun gegevens nog verergerd door het feit dat deze gegevens, wanneer zij eenmaal ter beschikking van het publiek zijn gesteld, niet alleen vrijelijk kunnen worden geraadpleegd, maar ook kunnen worden opgeslagen en verspreid, en dat het voor deze personen in geval van zulke opeenvolgende verwerkingen des te moeilijker of zelfs illusoir wordt zich doeltreffend tegen misbruik te verdedigen (zie in die zin arrest Luxembourg Business Registers, punt 43).
73 Hoewel de beschikbaarstelling van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde gegevens aan het publiek geen afbreuk doet aan de wezenlijke inhoud van de door de artikelen 7 en 8 van het Handvest gewaarborgde rechten, vormt zij dus hoe dan ook een ernstige inmenging in die rechten (zie in die zin arrest Luxembourg Business Registers, punten 44 en 54).
74 Ten tweede moet, zoals de advocaat-generaal in de punten 50 tot en met 52 van zijn conclusie heeft opgemerkt, worden vastgesteld dat de doelstellingen die het Letse parlement voor de verwijzende rechter heeft aangevoerd ter rechtvaardiging van de maatregel waarin de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling voorziet en die in punt 49 van het onderhavige arrest in herinnering zijn gebracht, kunnen worden aangemerkt als door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang. Evenwel moet worden onderzocht of een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, voldoet aan de vereisten van geschiktheid en noodzakelijkheid, alsook aan het vereiste dat deze maatregel evenredig is aan de nagestreefde doelen in de zin van punt 61 van het onderhavige arrest.
75 Wat de doelstelling van algemeen belang betreft, die erin bestaat een transparant ondernemingsklimaat te waarborgen teneinde de belangen van derden te beschermen, moet worden opgemerkt dat deze in wezen overeen lijkt te komen met de doelstelling die wordt nagestreefd met de coördinatie van de nationale bepalingen die tot stand is gebracht in artikel 14, onder d), van richtlijn 2017/1132, gelezen in het licht van de overwegingen 7 en 8 ervan.
76 Zoals blijkt uit punt 46 van het onderhavige arrest, lijkt de openbaarmaking van gegevens over alle aandeelhouders van een naamloze vennootschap, en in het bijzonder van de minderheidsaandeelhouders ervan, in het licht van deze doelstelling evenwel geen nut te hebben. Bijgevolg lijkt een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, geschikt noch noodzakelijk om dat doel te bereiken en kan zij de in punt 73 van het onderhavige arrest bedoelde ernstige inmenging in de door de artikelen 7 en 8 van het Handvest gewaarborgde rechten dus niet rechtvaardigen.
77 Wat de doelstelling van algemeen belang betreft, die erin bestaat het witwassen van geld en financiering van terrorisme en van proliferatie van massavernietigingswapens te voorkomen, moet worden vastgesteld dat de toegang van het publiek tot de betrokken gegevens kan bijdragen tot de verwezenlijking daarvan, aangezien het publieke karakter van die toegang en de daaruit voortvloeiende grotere transparantie bijdragen tot de totstandbrenging van een omgeving die minder gemakkelijk kan worden gebruikt voor dergelijke doeleinden (zie in die zin arrest Luxembourg Business Registers, punt 67).
78 Een dergelijke toegang kan echter niet als strikt noodzakelijk worden beschouwd wanneer die doelstelling redelijkerwijs even doeltreffend kan worden bereikt met andere middelen die in mindere mate afbreuk doen aan de door de artikelen 7 en 8 van het Handvest gewaarborgde rechten [zie in die zin arrest van 4 oktober 2024, Bezirkshauptmannschaft Landeck (Poging tot het verkrijgen van toegang tot op een mobiele telefoon opgeslagen persoonsgegevens), C‑548/21, EU:C:2024:830, punt 87].
79 De bestrijding van het witwassen van geld en financiering van terrorisme en van proliferatie van massavernietigingswapens is immers in de eerste plaats een zaak van de overheid en van entiteiten zoals kredietinstellingen of financiële instellingen die uit hoofde van hun activiteiten specifieke verplichtingen op dit gebied hebben (arrest Luxembourg Business Registers, punt 83), zoals met name die welke voortvloeien uit de artikelen 11 en 13 van richtlijn 2015/849.
80 In deze context moet worden opgemerkt dat artikel 30, lid 5, van richtlijn 2015/849, waarvan de bewoordingen voortvloeien uit artikel 74, punt 1, van richtlijn 2024/1640, bepaalt dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat de informatie over de uiteindelijk begunstigden in de zin van deze bepaling in alle gevallen toegankelijk is voor met name „elke persoon of organisatie die een legitiem belang kan aantonen”, en niet voor het publiek in zijn geheel.
81 In dit verband moet ook worden verduidelijkt dat volgens de rechtspraak van het Hof een regeling die met het oog op het nastreven van de in punt 77 van het onderhavige arrest genoemde doelstelling toegang tot persoonsgegevens verleent aan leden van het publiek die een legitiem belang kunnen aantonen, in beginsel de inmenging in de door de artikelen 7 en 8 van het Handvest gewaarborgde rechten kan beperken tot het strikt noodzakelijke (zie in die zin arrest van 21 mei 2026, Across Fiduciaria e.a., C‑684/24 en C‑685/24, EU:C:2026:410, punt 106).
82 Aangezien het in casu gaat om minderheidsaandeelhouders die niet de hoedanigheid van uiteindelijk begunstigde hebben van de vennootschap waarvan zij een deel van het maatschappelijk kapitaal bezitten, lijkt het dus a fortiori niet strikt noodzakelijk dat persoonsgegevens als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn toegankelijk zijn voor eenieder, zonder dat deze persoon een legitiem belang hoeft aan te tonen.
83 In een dergelijke context geeft de verwijzende rechter weliswaar aan dat het nationale ondernemingsregister, dat de verwerkingsverantwoordelijke is, mogelijk niet in staat is om na te gaan of elke informatieaanvrager daadwerkelijk een legitiem belang heeft bij toegang tot de betrokken persoonsgegevens, maar moet eraan worden herinnerd dat eventuele praktische moeilijkheden in verband met de verificatie van het bestaan van een legitiem belang niet kunnen aantonen dat een inmenging in de door het Handvest gewaarborgde grondrechten strikt noodzakelijk is (zie naar analogie arresten van 26 september 2000, Commissie/Oostenrijk, C‑205/98, EU:C:2000:493, punt 78 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 27 november 2008, Papillon, C‑418/07, EU:C:2008:659, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
84 Wat de evenwichtige afweging tussen enerzijds de nagestreefde doelstelling van algemeen belang en anderzijds de betrokken grondrechten betreft, moet hieraan worden toegevoegd dat de bestrijding van het witwassen van geld en financiering van terrorisme en van proliferatie van massavernietigingswapens weliswaar in het algemeen een – zelfs ernstige – inmenging in die rechten zou kunnen rechtvaardigen (zie in die zin arrest Luxembourg Business Registers, punten 58 en 59), maar dat deze doelstelling in casu niet kan prevaleren boven die rechten, gelet op de aard en de ernst van de in punt 73 van het onderhavige arrest vastgestelde inmenging.
85 In deze context moet bovendien worden opgemerkt dat een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, niet voorziet in voldoende waarborgen om de betrokken personen doeltreffend te kunnen beschermen tegen het risico van misbruik in de zin van de in punt 63 van het onderhavige arrest bedoelde rechtspraak. Hun persoonsgegevens zijn immers toegankelijk op internet en kunnen in bulk worden gedownload, met name door elke niet-geïdentificeerde gebruiker, hetgeen dergelijke risico’s vergroot.
86 Bijgevolg lijkt een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, noch noodzakelijk noch evenredig aan het betrokken doel in de zin van punt 61 van het onderhavige arrest.
87 Wat ten slotte de doelstelling van algemeen belang betreft, die erin bestaat de informatie te verstrekken die noodzakelijk is voor de uitvoering van nationale, internationale en Uniesancties, is een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is ook geschikt om bij te dragen tot de verwezenlijking daarvan. Inderdaad moet worden vastgesteld dat de grotere transparantie die uit deze regeling voortvloeit deze uitvoering kan vergemakkelijken.
88 Zoals de advocaat-generaal in de punten 60 en 61 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, lijkt de toegang van het publiek tot de in het hoofdgeding aan de orde zijnde gegevens voor dit doel echter niet strikt noodzakelijk, aangezien er middelen beschikbaar lijken die minder inbreuk maken op de door de artikelen 7 en 8 van het Handvest gewaarborgde rechten.
89 Zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft opgemerkt, zou een dergelijk minder ingrijpend middel met name erin kunnen bestaan dat uitsluitend gegevens betreffende personen op de sanctielijsten openbaar moeten worden gemaakt en dat enkel personen die een legitiem belang aantonen toegang krijgen tot gegevens van aandeelhouders die niet op die lijsten staan.
90 Bovendien kan, om dezelfde redenen als die welke respectievelijk in de punten 84 en 85 van het onderhavige arrest zijn genoemd, de nagestreefde doelstelling van algemeen belang in casu niet prevaleren boven de betrokken grondrechten en bevat een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is onvoldoende waarborgen om de betrokken personen doeltreffend te kunnen beschermen tegen het risico van misbruik.
91 Een dergelijke regeling lijkt dus noodzakelijk noch evenredig aan het betrokken doel in de zin van punt 61 van het onderhavige arrest.
92 Gelet op een en ander dient op de derde en de vierde vraag derhalve te worden geantwoord dat de artikelen 5 en 6 AVG, gelezen in het licht van de artikelen 7 en 8 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan persoonsgegevens van alle aandeelhouders – met inbegrip van minderheidsaandeelhouders – van naamloze vennootschappen, die betrekking hebben op de identiteit van elk van deze aandeelhouders, zijn contactgegevens, de categorie, het aantal en de nominale waarde van de aandelen die hij bezit, alsmede het aantal aan die aandelen verbonden stemmen, voor het publiek beschikbaar moeten worden gesteld teneinde een transparant ondernemingsklimaat te waarborgen om de belangen van derden te beschermen, het witwassen van geld en financiering van terrorisme en van proliferatie van massavernietigingswapens te voorkomen en de informatie te verstrekken die noodzakelijk is voor de uitvoering van nationale, internationale en Uniesancties, indien de toegang tot die gegevens niet afhankelijk is van enige voorwaarde, zoals het aantonen van een gerechtvaardigd belang.
Kosten
93 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
1) Artikel 14, onder d), van richtlijn (EU) 2017/1132 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 aangaande bepaalde aspecten van het vennootschapsrecht, zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2019/1151 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019,
moet aldus worden uitgelegd dat
het niet vereist dat informatie openbaar wordt gemaakt over alle aandeelhouders van de in deze bepaling bedoelde vennootschappen, met inbegrip van de minderheidsaandeelhouders van dergelijke vennootschappen.
2) De artikelen 5 en 6 van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), gelezen in het licht van de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan persoonsgegevens van alle aandeelhouders – met inbegrip van minderheidsaandeelhouders – van naamloze vennootschappen, die betrekking hebben op de identiteit van elk van deze aandeelhouders, zijn contactgegevens, de categorie, het aantal en de nominale waarde van de aandelen die hij bezit, alsmede het aantal aan die aandelen verbonden stemmen, voor het publiek beschikbaar moeten worden gesteld teneinde een transparant ondernemingsklimaat te waarborgen om de belangen van derden te beschermen, het witwassen van geld en financiering van terrorisme en van proliferatie van massavernietigingswapens te voorkomen en de informatie te verstrekken die noodzakelijk is voor de uitvoering van nationale en internationale sancties en sancties van de Europese Unie, indien de toegang tot die gegevens niet afhankelijk is van enige voorwaarde, zoals het aantonen van een gerechtvaardigd belang.
ondertekeningen
* Procestaal: Lets.
i Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.